ECLI:NL:CRVB:2021:1294
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
WIA-uitkering ten onrechte beëindigd wegens onjuiste medische beoordeling
Appellant, werkzaam als postbode, meldde zich in 2010 ziek met rug- en psychische klachten. Na diverse herbeoordelingen stelde het UWV in 2016 dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en beëindigde de WIA-uitkering. Appellant maakte bezwaar, maar dit werd ongegrond verklaard. De rechtbank bevestigde dit besluit.
In hoger beroep stelde appellant dat zijn psychische beperkingen onvoldoende waren meegewogen. De Raad benoemde een onafhankelijke psychiater als deskundige, die concludeerde dat appellant ook op de datum in geding leed aan schizofrenie met forse beperkingen, meer dan in de eerdere functionele mogelijkhedenlijst was aangenomen.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep betwistte dit, maar de Raad volgde de deskundige vanwege diens gedegen en consistente rapportage. De Raad oordeelde dat het UWV ten onrechte niet aan de beperkingen van appellant had tegemoetgekomen, waardoor de medische grondslag van het besluit onjuist was.
De Raad vernietigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank en droeg het UWV op een nieuwe beslissing te nemen waarbij de beperkingen conform het deskundigenrapport in een aangepaste FML moeten worden verwerkt. Tevens werd het UWV veroordeeld in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het besluit tot beëindiging van de WIA-uitkering wordt vernietigd en het UWV wordt opgedragen een nieuwe beslissing te nemen met inachtneming van het deskundigenrapport.