ECLI:NL:CRVB:2021:1307
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziekengelduitkering na geschiktheid voor EZWb-functies bevestigd
Appellant, laatst werkzaam als productiemedewerker, meldde zich ziek met psychische klachten en ontving ziekengeld op grond van de Ziektewet. Na een eerstejaars ZW-beoordeling stelde het UWV vast dat appellant geschikt was voor meerdere functies binnen de EZWb, waarna de ziekengelduitkering werd beëindigd. Appellant voerde aan dat zijn psychische toestand was verslechterd en dat hij financieel niet in staat was een deskundige in te schakelen, en betoogde dat het equality of arms-beginsel was geschonden.
De rechtbank oordeelde dat appellant geschikt was voor ten minste één van de EZWb-functies en dat er geen aanleiding was voor het inschakelen van een onafhankelijke deskundige. De Centrale Raad van Beroep onderschreef dit oordeel en stelde vast dat appellant voldoende gelegenheid had gehad om medische stukken in te brengen. De Raad vond geen nieuwe medische informatie die tot een ander oordeel zou leiden.
De Raad bevestigde dat het UWV op goede gronden had vastgesteld dat appellant geschikt was voor de maatgevende arbeid en dat het equality of arms-beginsel niet was geschonden. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de beëindiging van de ziekengelduitkering bevestigd.