ECLI:NL:CRVB:2021:134
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken van belang bij WIA-uitkering
Appellant maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV om zijn WIA-uitkering per 30 mei 2016 te beëindigen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep stelde appellant zich op het standpunt dat het besluit onjuist was.
Tijdens het hoger beroep heeft het UWV op 7 september 2020 een nieuw besluit genomen waarin het bezwaar van appellant alsnog gegrond werd verklaard en de WIA-uitkering ongewijzigd werd voortgezet, gebaseerd op een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
Gezien dit nieuwe besluit is het belang van appellant bij het hoger beroep komen te vervallen, waardoor het hoger beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard. De Raad veroordeelt het UWV tot vergoeding van de door appellant gemaakte proceskosten en het betaalde griffierecht.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat het UWV het bezwaar van appellant heeft gehonoreerd en de WIA-uitkering is voortgezet.