ECLI:NL:CRVB:2021:1380
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag bruikleenauto wegens ontbreken medische noodzaak
Appellant, een minderjarige met een verstandelijke handicap, gedragsproblemen en tracheomalacie, vroeg op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 een bruikleenauto aan. Het college wees deze aanvraag af vanwege het ontbreken van een medische noodzaak, gesteund door een advies van een verzekeringsarts.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij zij het advies van de verzekeringsarts volgde dat het aanvullend openbaar vervoer (AOV) een geschikte en adequate voorziening is. De huisarts van appellant stelde dat lang verblijf in de buitenlucht schadelijk zou zijn, maar dit werd door de verzekeringsarts en eerdere huisarts weerlegd.
In hoger beroep betoogde appellant dat de brief van zijn huisarts zwaarder moest wegen dan het IAB-advies, maar de Raad vond dit onvoldoende onderbouwd. De Raad concludeerde dat het college terecht het standpunt innam dat AOV een adequate voorziening is en dat appellant niet is aangewezen op een bruikleenauto. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De aanvraag voor een bruikleenauto is terecht afgewezen wegens het ontbreken van een medische noodzaak.