ECLI:NL:CRVB:2021:1387

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
7 juni 2021
Publicatiedatum
11 juni 2021
Zaaknummer
20/380 PW-PV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 58 Participatiewet
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging besluit college over terugvordering belastingteruggaven en kostenvergoeding

De Centrale Raad van Beroep behandelde het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag over de terugvordering van belastingteruggaven en de kostenvergoeding aan appellante.

Het college had belastingteruggaven over 2015 en 2017 als inkomen aangemerkt en de bijstand herzien. Vervolgens werd een terugvordering opgelegd en later verlaagd, waarbij ook kosten van bezwaar werden vergoed en verrekend. De rechtbank had het beroep deels gegrond verklaard en de kostenvergoeding verhoogd vanwege het niet toekennen van een punt voor het bijwonen van de hoorzitting.

De Raad bevestigt het oordeel van de rechtbank dat het college terecht de belastingteruggaven als inkomen heeft aangemerkt en dat het college bevoegd was tot verrekening. De stelling van appellante dat er geen gelijktijdige behandeling was vanwege het ontbreken van een hoorzitting wordt verworpen, omdat uit de stukken blijkt dat tijdens een telefonische hoorzitting beide bezwaren zijn behandeld.

Het hoger beroep wordt afgewezen en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit van het college wordt bevestigd.

Uitspraak

20.380 PW-PV

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 15 januari 2020, 19/1912 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer (college)
Datum uitspraak: 7 juni 2021
Zitting heeft: K.M.P Jacobs
Griffier: B. van Dijk
Het onderzoek ter zitting heeft gelijktijdig met 18/5668 PW en 21/1677 PW plaatsgevonden op 31 mei 2021. Appellante is niet verschenen. Het college heeft zich via videobellen laten vertegenwoordigen door mr. C.P. Hoogerbrugge-Wittenaar. In de zaken 18/5668 PW en 21/1677 PW wordt afzonderlijk uitspraak gedaan.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar en gebaseerd op de volgende overwegingen.
Bij besluit van 28 november 2018 heeft het college de belastingteruggaven over 2015 en 2017 als inkomen over 2015 en 2017 in aanmerking genomen, en de bijstand van appellante over die jaren herzien. Bij besluit van 6 december 2018 heeft het college de over 2015 en 2017 gemaakte kosten van bijstand teruggevorderd tot een bedrag van € 610,11.
Bij besluit van 8 maart 2019 (bestreden besluit) heeft het college het besluit van 28 november 2018 herroepen, de in het besluit van 6 december 2018 neergelegde terugvordering verlaagd tot een bedrag van € 387,12 en aan die terugvordering artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, van de Participatiewet ten grondslag gelegd, de kosten van bezwaar vergoed tot een bedrag van € 512,-, en de kostenvergoeding verrekend met de terugvordering.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd voor zover dat ziet op de in bezwaar toegekende kostenvergoeding, de kostenvergoeding in de bezwaarprocedure vastgesteld op € 1.024,- en bepaald dat die uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het bestreden besluit. De rechtbank is van oordeel dat het college terecht de belastingteruggaven als inkomsten heeft aangemerkt en toegerekend aan de periode waarop ze betrekking hebben. Ook heeft de rechtbank geoordeeld dat het college terecht voor de bezwaarschriften tegen de besluiten van 28 november 2018 en van 6 december 2018 één punt heeft toegekend, omdat het gaat om samenhangende zaken. Niet gebleken is dat het college niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot verrekening gebruik heeft mogen maken. De rechtbank heeft de kostenvergoeding in de bezwaarprocedure hoger vastgesteld, omdat het college had verzuimd een punt toe te kennen voor het bijwonen van de hoorzitting.
Appellante heeft zich afgemeld voor de zitting. Zij heeft daarbij verzocht de zaken
18/5668 PW en 21/1677 PW niet gelijktijdig te behandelen, maar na elkaar, omdat gelijktijdige planning van zittingen ook gaat leiden tot het doen van een uitspraak in één einduitspraak, wat onwenselijk is. Uit proceseconomisch oogpunt heeft de Raad de zaken ter behandeling gelijktijdig geagendeerd, maar feitelijk ter zitting na elkaar behandeld. In de zaken wordt afzonderlijk uitspraak gedaan.
De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de overwegingen waarop dit oordeel rust. Hij voegt daaraan nog toe dat de stelling van appellante dat geen sprake is geweest van gelijktijdige behandeling omdat er geen hoorzitting heeft plaatsgevonden, feitelijke grondslag mist. Uit de stukken blijkt dat tijdens de telefonische hoorzitting op 7 maart 2019 zowel het bezwaar tegen het besluit van 28 november 2018, als het bezwaar tegen het besluit van 6 december 2018 is behandeld.
Het hoger beroep slaagt niet. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier De voorzitter
(getekend) B. van Dijk (getekend) K.M.P. Jacobs