ECLI:NL:CRVB:2021:139
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering en weigering WIA-uitkering wegens niet voldoen wachttijd
Appellante was werkzaam als orderpicker en meldde zich op 6 februari 2014 ziek met psychische klachten. Zij ontving aanvankelijk een WW-uitkering, gevolgd door een Ziektewetuitkering (ZW) vanaf 29 mei 2014. Na een eerstejaars beoordeling beëindigde het UWV de ZW-uitkering per 17 augustus 2015, omdat appellante meer dan 65% van haar loon kon verdienen in andere functies.
Op 6 oktober 2015 meldde appellante zich opnieuw ziek met lichamelijke klachten en kreeg zij opnieuw een ZW-uitkering. Op 11 juli 2017 vroeg zij een WIA-uitkering aan. Het UWV beëindigde de ZW-uitkering per 4 september 2017 en weigerde de WIA-uitkering per 3 oktober 2017 toe te kennen omdat appellante niet aan de vereiste wachttijd van 104 weken voldeed. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze besluiten ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat het medisch en arbeidskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en de beperkingen van appellante niet waren onderschat.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar psychische en lichamelijke beperkingen werden onderschat en overhandigde zij aanvullende medische verklaringen. De Raad oordeelde dat deze nieuwe informatie geen aanleiding gaf om het standpunt van het UWV te wijzigen. De Raad bevestigde dat appellante per 4 september 2017 geschikt was voor ten minste één van de geselecteerde functies en dat de wachttijd voor de WIA-uitkering niet was voltooid. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Ziektewetuitkering is terecht beëindigd en de weigering van een WIA-uitkering is gegrond vanwege het niet voldoen aan de wachttijd.