ECLI:NL:CRVB:2021:1394
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging WGA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellante ontving sinds 17 november 2014 een WIA-uitkering met een arbeidsongeschiktheid van 56,94%. Na een herbeoordeling op haar verzoek in 2016 stelde het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid bij op minder dan 35%, waardoor haar WGA-uitkering per 16 februari 2017 werd beëindigd. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar psychische en chronische pijnklachten onvoldoende waren meegewogen. Zij ondersteunde dit met medische verklaringen van specialisten. Het UWV verwees naar verzekeringsartsrapporten ter onderbouwing van het besluit.
De Raad benoemde een onafhankelijke revalidatie-arts als deskundige, die aanvullende beperkingen constateerde volgens de ICF-systematiek. De verzekeringsarts bezwaar en beroep gaf aan dat deze beperkingen niet direct vertaald kunnen worden naar de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) en dat de FML van 13 september 2016 adequaat was.
De Raad volgde de verzekeringsarts en oordeelde dat het UWV voldoende had gemotiveerd dat de geselecteerde functies passend zijn. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WGA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.