ECLI:NL:CRVB:2021:1399
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling mate van arbeidsongeschiktheid voor WIA-uitkering bevestigd op 35,7%
Appellante, laatst werkzaam als begeleider van gehandicapten, meldde zich ziek in maart 2015 en vroeg in december 2016 een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde aanvankelijk een arbeidsongeschiktheid van 35,7% vast per januari 2017, maar wijzigde dit later naar 100% per maart 2015 en 35,7% per januari 2017. Appellante maakte bezwaar en stelde dat haar beperkingen onvoldoende werden erkend, met name voor zitten en staan.
De rechtbank verklaarde het bezwaar gegrond, vernietigde het besluit maar liet de rechtsgevolgen in stand. In hoger beroep voerde appellante aan dat het UWV haar belastbaarheid onjuist had ingeschat en overhandigde medische rapporten ter onderbouwing. De Raad benoemde een onafhankelijke verzekeringsarts als deskundige, die concludeerde dat de beperkingen van appellante conform de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van maart 2018 waren vastgesteld.
De Raad oordeelde dat het rapport van de deskundige goed gemotiveerd en overtuigend was. De bezwaren van appellante en haar verzekeringsarts gaven geen aanleiding om het oordeel van de deskundige te verwerpen. De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en verwierp het hoger beroep. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid op 35,7% per 18 januari 2017.