ECLI:NL:CRVB:2021:140
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging juiste vaststelling mate arbeidsongeschiktheid WIA en toekenning WGA-vervolguitkering
Appellant, laatstelijk werkzaam als operator, meldde zich ziek met rug- en knieklachten en later met psychische klachten. Het UWV stelde de mate van arbeidsongeschiktheid vast en kende een WGA-vervolguitkering toe. Appellant maakte bezwaar en kreeg een hogere mate van arbeidsongeschiktheid toegekend. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat het medisch en arbeidskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en de beperkingen adequaat waren vastgesteld.
In hoger beroep handhaafde appellant zijn standpunt en overhandigde een expertiserapport dat meer beperkingen aannam. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat dit rapport onvoldoende onderbouwd was en niet aansloot bij de persoonlijke situatie van appellant. De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank dat de mate van arbeidsongeschiktheid terecht was vastgesteld op 65 tot 80% en dat de WGA-vervolguitkering correct was toegekend.
De Raad wees het verzoek tot benoeming van een onafhankelijke deskundige af en bevestigde de aangevallen uitspraak. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid terecht heeft vastgesteld en wijst het hoger beroep af.