ECLI:NL:CRVB:2021:1416
Centrale Raad van Beroep
- Eerste en enige aanleg
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vergoeding verblijf kuuroord buiten woonland ondanks medische noodzaak
Appellante, geboren in 1941 en vervolgd in de zin van de Wuv, lijdt aan knie-, voet- en psychische klachten als gevolg van vervolging. Zij verzocht om vergoeding van een verblijf in een kuuroord ter behandeling van haar klachten. Verweerder kende een vergoeding toe voor een verblijf in een Nederlands kuuroord dat aan de gestelde criteria voldoet, maar weigerde vergoeding voor een kuur in Duitsland.
Appellante voerde aan dat het Nederlandse kuuroord te druk is en daardoor de behandeling minder effectief is, en verzocht een vergoeding voor een kuur in Duitsland. De Raad oordeelde dat het Nederlandse kuuroord voldoet aan de voorwaarden, de medische behandeling onder begeleiding plaatsvindt en dat geen medische noodzaak voor behandeling in Duitsland is gebleken.
De Raad concludeert dat de door appellante aangevoerde omstandigheden onvoldoende zijn om van het beleid af te wijken. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en vergoeding voor een kuur in Duitsland wordt afgewezen.