ECLI:NL:CRVB:2021:1444
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WAZ-uitkeringsaanvraag en schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn
Appellant heeft een WAZ-uitkering aangevraagd voor de periode 1 januari 1990 tot 1 april 1996, waarin hij een kapperszaak had die hij wegens psychische problemen moest staken. Het UWV wees de aanvraag af op grond van onvoldoende medische onderbouwing van arbeidsongeschiktheid gedurende de verzekerde periode. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de aanvraag beoordeeld moest worden aan de hand van de destijds geldende Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW).
Appellant voerde in hoger beroep aan dat het medisch onderzoek niet zorgvuldig was en dat er onvoldoende evenwicht was tussen partijen om bewijs aan te dragen, met het verzoek om een onafhankelijke deskundige te benoemen. De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank en zag geen aanleiding om een deskundige te benoemen, omdat appellant in essentie zijn eerdere gronden herhaalde.
Daarnaast stelde appellant een verzoek tot schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De Raad constateerde dat de procedure bijna vier jaar en twee maanden duurde, wat de redelijke termijn met bijna twee maanden overschreed. De overschrijding werd volledig aan de bestuursrechter toegerekend, waarna de Staat werd veroordeeld tot een schadevergoeding van €500 en proceskosten van €267.
De aangevallen uitspraak werd bevestigd, waarmee het hoger beroep ongegrond werd verklaard en de schadevergoeding toegewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de Staat wordt veroordeeld tot een schadevergoeding van €500 wegens overschrijding van de redelijke termijn.