ECLI:NL:CRVB:2021:1457
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging ziekengeld en weigering WIA-uitkering na zorgvuldig onderzoek
Appellante was sinds juni 2016 werkzaam als algemeen medewerkster huishoudelijke dienst en werd in oktober 2016 ziek gemeld. Het UWV beëindigde haar ziekengeld per 17 september 2018 op grond van artikel 19aa ZW, omdat zij geschikt werd geacht voor haar arbeid. Tevens werd een WIA-uitkering geweigerd wegens het niet vervullen van de wachttijd.
Appellante maakte bezwaar tegen deze besluiten, maar het UWV verklaarde het bezwaar tegen de beëindiging van het ziekengeld niet-ontvankelijk vanwege overschrijding van de termijn en wees het bezwaar tegen de WIA-weigering ongegrond. De rechtbank bevestigde deze besluiten, maar stelde dat het UWV onvoldoende had gemotiveerd of de wachttijd was vervuld, waarna aanvullend onderzoek plaatsvond.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep concludeerde dat er geen wijziging was in de medische situatie binnen vier weken na 17 september 2018. De rechtbank oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was en bevestigde het besluit tot weigering van de WIA-uitkering. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep beide uitspraken, oordeelde dat de bezwaartermijn van twee weken terecht was toegepast en dat het onderzoek door het UWV voldoende zorgvuldig was uitgevoerd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit van het UWV tot beëindiging van het ziekengeld en weigering van de WIA-uitkering.