Verzoeker, gehuwd maar zijn echtgenote verblijft in Marokko, ontvangt bijstand volgens de norm voor gehuwden met een niet-rechthebbende partner. Hij verzocht om verhoging naar de norm voor alleenstaanden, stellende duurzaam gescheiden te leven. Het college weigerde dit verzoek omdat verzoeker niet aannemelijk maakte dat hij duurzaam gescheiden leeft en onvoldoende bewijs leverde.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de verzoeker stelde hoger beroep in met een verzoek om voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter oordeelde dat het verzoek om voorlopige voorziening niet kan worden gehonoreerd zonder een actueel financieel spoedeisend belang.
Verzoeker had niet gesteld dat hij schulden had moeten maken of dat er acute dreiging bestond van huisuitzetting, afsluiting van energie of water of verlies van ziektekostenverzekering. De voorzieningenrechter concludeerde dat het ontbreken van een spoedeisend belang betekent dat de behandeling van de bodemprocedure kan worden afgewacht.
Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen zonder proceskostenveroordeling.