ECLI:NL:CRVB:2021:1472
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant, laatstelijk werkzaam als logistiek medewerker, meldde zich ziek met pijnklachten aan onderrug en heup. Na medisch en arbeidskundig onderzoek stelde het UWV vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde een WIA-uitkering toe te kennen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij het rapport van verzekeringsarts Kruithof onvoldoende aanleiding gaf tot twijfel over de medische beoordeling van het UWV. Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn pijnklachten en behandelingen onvoldoende waren meegenomen en verzocht om benoeming van een onafhankelijk deskundige.
De Raad oordeelde dat het UWV een zorgvuldig onderzoek had verricht en dat de medische en arbeidskundige beoordelingen juist waren. De klachten van appellant, waaronder clusterhoofdpijn, werden voldoende in de beoordeling betrokken. Er was geen reden om het standpunt van het UWV te wijzigen of een onafhankelijk deskundige te benoemen.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.