Appellant ontvangt sinds 2014 bijstand en werd geconfronteerd met een terugvordering en boete wegens het niet melden van ontvangen bedragen van zijn broer. Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam legde een terugvordering van €2.929,29 en een boete van €590,- op, met als grond dat appellant de inlichtingenplicht had geschonden.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep ongegrond, maar in hoger beroep stelde appellant dat de terugvordering en boete ernstige psychische en sociale gevolgen hadden, waaronder verergering van zijn psychiatrische klachten en suïcidale gedachten. Hij onderbouwde dit met medische verklaringen van huisarts, praktijkondersteuners GGZ, wijkcoach en een arts Maatschappij & Gezondheid.
De Raad oordeelde dat appellant aannemelijk had gemaakt dat sprake was van dringende redenen in de zin van de Participatiewet, omdat de terugvordering en boete een voortdurende trigger vormden die zijn psychische toestand verslechterde en zijn sociaal functioneren ernstig belemmerde. Het college kon niet aantonen dat de verergering niet aan de terugvordering en boete te wijten was.
De Raad vernietigde het bestreden besluit voor zover het de terugvordering en boete betrof en besloot zelf af te zien van terugvordering en boete. Tevens werd het college veroordeeld in de proceskosten en het griffierecht aan appellant vergoed.