ECLI:NL:CRVB:2021:1493
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid per 1 juni 2017
Appellante, werkzaam als zorgkundige, ontving van 2012 tot 2017 een WIA-uitkering. Na melding van toegenomen klachten per 1 juni 2017 stelde een verzekeringsarts vast dat de beperkingen pas per 1 februari 2018 waren toegenomen. Het UWV weigerde daarom een nieuwe WIA-uitkering toe te kennen. Appellante maakte bezwaar en stelde dat haar beperkingen al per 1 juni 2017 waren toegenomen, ondersteund door een aangepaste Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) en medische brieven.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het UWV terecht had besloten de uitkering niet te herleven. In hoger beroep voerde appellante aan dat de verzekeringsarts onvoldoende rekening had gehouden met haar psychische klachten, ondersteund door brieven van haar psycholoog en een plan van aanpak. De Raad overwoog dat deze documenten geen nieuwe informatie bevatten over de situatie per 1 juni 2017 en dat het plan van aanpak een ander beoordelingskader kent.
De Raad concludeerde dat de FML van 4 april 2019 juist is vastgesteld en dat de arbeidsdeskundige passend geselecteerde functies heeft gemotiveerd. Het hoger beroep faalde en de aangevallen uitspraak werd bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van een WIA-uitkering per 1 juni 2017 wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.