ECLI:NL:CRVB:2021:1494
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WIA-uitkering wegens voorlopige hechtenis
Appellant ontving sinds 2011 een WIA-uitkering die door het UWV werd ingetrokken met ingang van 7 september 2018 nadat appellant in voorlopige hechtenis werd genomen op 7 augustus 2018. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze intrekking ongegrond, stellende dat de voorlopige hechtenis valt onder de uitsluitingsgrond van artikel 43, aanhef en onder d, van de Wet WIA.
Appellant voerde aan dat hij vanwege psychische problemen en een onderzoek in het Pieter Baan Centrum (PBC) onder de uitzondering van artikel 44, eerste lid, aanhef en onder a, viel, maar dit werd door de rechtbank en de Raad verworpen. De rechter-commissaris had immers geen oordeel geveld over de toerekenbaarheid van het feit, en de medische stukken waren niet relevant voor de beoordeling van de uitkeringsrecht.
De Raad oordeelde dat de voorlopige hechtenis van appellant rechtens zijn vrijheid ontnam en daarmee de uitsluitingsgrond van artikel 43 Wet Pro WIA van toepassing was. Het latere vonnis van de strafrechter bevestigde dat appellant volledig toerekeningsvatbaar was en veroordeeld werd tot vijf jaar gevangenisstraf. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De intrekking van de WIA-uitkering wegens voorlopige hechtenis wordt bevestigd.