ECLI:NL:CRVB:2021:150
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant, laatstelijk werkzaam als magazijnmedewerker, meldde zich ziek met psychische klachten en klachten aan handen en voeten. Het UWV stelde op basis van medisch en arbeidskundig onderzoek vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is en weigerde een WIA-uitkering toe te kennen.
Appellant maakte bezwaar en bracht aanvullende medische informatie in, maar het UWV handhaafde het besluit. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat er geen reden was te twijfelen aan het medisch oordeel en de functionele beperkingen zoals vastgesteld in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML).
In hoger beroep voerde appellant aan dat hij door agressieklachten en onvoorspelbaar gedrag niet geschikt is voor werk en meer beperkingen heeft dan aangenomen. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat het medisch oordeel juist is, de FML adequaat is aangepast en dat de geselecteerde functies passend zijn. De aanvullende medische stukken boden geen nieuwe inzichten.
De Raad bevestigde daarom de eerdere uitspraak en het besluit van het UWV om geen WIA-uitkering toe te kennen, omdat de mate van arbeidsongeschiktheid onder de 35% blijft.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%.