ECLI:NL:CRVB:2021:1513

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 juni 2021
Publicatiedatum
25 juni 2021
Zaaknummer
19/4768 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:88 AwbArt. 8:2 AwbAmbtenarenwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging onbevoegdheid bestuursrechter bij schadevergoeding UWV-startkrediet

Appellant vroeg bij het UWV een startkrediet aan maar stuurde niet de gevraagde gegevens in, waardoor het UWV de aanvraag niet in behandeling nam. Appellant vorderde vervolgens schadevergoeding wegens vermeende fouten en vertragingen bij het UWV, waaronder het wachten op een arbeidsdeskundige en gemaakte kosten.

De rechtbank verklaarde zich onbevoegd tot kennisneming van de schadevergoeding omdat appellant geen onrechtmatig besluit of ander in artikel 8:88 Awb Pro genoemd onrechtmatig handelen had gesteld. In hoger beroep handhaafde appellant zijn verzoek, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de bestuursrechter slechts bevoegd is bij schade door onrechtmatige besluiten of handelingen zoals genoemd in artikel 8:88 Awb Pro.

Omdat appellant geen van deze gronden had aangevoerd, bevestigde de Raad de onbevoegdheidsverklaring van de rechtbank. De Raad wees erop dat appellant zich tot de burgerlijke rechter kan wenden voor zijn schadevordering.

De uitspraak werd gedaan door A.I. van der Kris en bevestigd op 16 juni 2021. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de onbevoegdheid van de bestuursrechter en wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Uitspraak

19 4768 WIA

Datum uitspraak: 16 juni 2021
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 27 september 2019, 19/596 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.F. Ronday, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft via videobellen plaatsgevonden op 12 mei 2021. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K.M. Schuijt.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant ontving een uitkering op grond van de Ziektewet. Appellant heeft op 26 januari 2018 bij het Uwv een voorziening in de vorm van een starterskrediet aangevraagd. Bij besluit van 21 februari 2018 heeft het Uwv besloten deze aanvraag niet verder in behandeling te nemen, omdat appellant niet de gevraagde gegevens heeft ingestuurd. Appellant heeft tegen dit besluit geen rechtsmiddel aangewend.
1.2.
Bij brief van 25 september 2018 heeft appellant het Uwv verzocht om vergoeding van schade. In reactie op een verzoek om onderbouwing daarvan heeft appellant een ongedateerde brief met enkele bijlagen ingezonden. In deze brief heeft hij het door hem gevraagde bedrag gesteld op € 7.500,-. Volgens appellant heeft het Uwv fouten gemaakt bij de behandeling van zijn aanvraag om een starterskrediet. Appellant heeft zeven maanden moeten wachten op een afspraak met een arbeidsdeskundige en heeft in de tussentijd kosten gemaakt om als zelfstandige aan de slag te kunnen gaan. Appellant heeft in zijn woning een kantoor gemaakt en zijn auto verkocht. Na zeven maanden had appellant geen middelen meer om zijn plan voort te zetten en is hij in de bijstand geraakt.
1.3.
Bij brief van 8 januari 2019 heeft het Uwv geweigerd de geclaimde schade te vergoeden. Het Uwv heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een onrechtmatig besluit dan wel van enig ander onrechtmatig handelen jegens appellant.
1.4.
Bij verzoekschrift van 16 januari 2019 heeft appellant de rechtbank verzocht om het Uwv te veroordelen tot vergoeding van de onder 1.2 genoemde schade.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard kennis te nemen van het verzoek, omdat geen van de situaties als bedoeld in artikel 8:88, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zich voordoet.
3.1.
Appellant heeft in hoger beroep zijn verzoek om schadevergoeding gehandhaafd.
3.2.
Het Uwv heeft ter zitting bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.1.
Ingevolge artikel 8:88, eerste lid, van de Awb, is de bestuursrechter bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van:
a. een onrechtmatig besluit;
b. een andere onrechtmatige handeling ter voorbereiding van een onrechtmatig besluit;
c. het niet tijdig nemen van een besluit;
d. een andere onrechtmatige handeling van een bestuursorgaan waarbij een persoon bedoeld in artikel 8:2, eerste lid, onder a, zijn nagelaten betrekkingen of zijn rechtverkrijgenden belanghebbende zijn.
4.1.2.
Ingevolge artikel 8:2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb - voor zover hier van belang - wordt met een besluit gelijk gesteld een andere handeling van een bestuursorgaan waarbij een ambtenaar als bedoeld in artikel 1 van Pro de Ambtenarenwet als zodanig belanghebbende is.
4.2.
Appellant heeft ter zitting toegelicht dat het Uwv hem in de steek heeft gelaten en dat hij daardoor schade heeft geleden. Appellant wilde ondersteuning bij het starten als zelfstandige. Appellant heeft zeven maanden moeten wachten op een afspraak met een arbeidsdeskundige. In de tussentijd heeft hij op advies van een medewerker van het Uwv getracht zijn ondernemerschap zelf te financieren en heeft hij kosten gemaakt.
4.3.
De bestuursrechter is alleen bevoegd om een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die is veroorzaakt door een van de in artikel 8:88, eerste lid, van de Awb vermelde oorzaken. Appellant heeft aan zijn verzoek niet een in artikel 8:88, eerste lid, van de Awb genoemde oorzaken ten grondslag heeft gelegd. Appellant heeft niet gesteld dat sprake was van een onrechtmatig besluit, als gevolg waarvan hij schade heeft geleden. Appellant heeft ook niet gesteld dat sprake was van het niet tijdig nemen van een besluit. Het is appellant alleen te doen om de manier waarop hij is behandeld door het Uwv. Het feitelijk handelen door het Uwv en de bejegening van appellant betreffen echter geen situaties als vermeld in artikel 8:88, eerste lid, van de Awb. De rechtbank heeft zich dan ook terecht onbevoegd verklaard kennis te nemen van het verzoek om schadevergoeding. De onbevoegdheid van de bestuursrechter laat overigens onverlet dat appellant zich kan wenden tot de burgerlijke rechter.
4.4.
Uit 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door A.I. van der Kris, in tegenwoordigheid van M. Géron als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 juni 2021.
(getekend) A.I. van der Kris
(getekend) M. Géron