ECLI:NL:CRVB:2021:1514
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlaging Wajong-uitkering wegens arbeidsvermogen
Appellante, geboren in 1993, ontvangt sinds 2014 een Wajong-uitkering vanwege een lichte verstandelijke beperking en ADHD. Het UWV heeft in 2017 vastgesteld dat zij arbeidsvermogen heeft, waardoor haar uitkering per 1 januari 2018 werd verlaagd van 75% naar 70% van het minimumloon. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze verlaging ongegrond.
In hoger beroep handhaaft appellante haar standpunt dat zij geen arbeidsvermogen heeft en overlegt medische dossiers en een psychologisch rapport. Zij vraagt om een onafhankelijke deskundige. De Raad oordeelt echter dat het UWV terecht heeft vastgesteld dat zij ten minste vier uur per dag belastbaar is en gedurende een uur aaneengesloten kan werken, en dat zij basale werknemersvaardigheden bezit.
De Raad volgt het oordeel van de rechtbank dat de gezinssituatie buiten beschouwing mag blijven bij de beoordeling van arbeidsvermogen. De medische stukken en het advies van de GZ-psycholoog ondersteunen niet het ontbreken van arbeidsvermogen. Er is geen aanleiding voor benoeming van een deskundige. Het hoger beroep wordt afgewezen en het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt eveneens afgewezen.
Uitkomst: De verlaging van de Wajong-uitkering van 75% naar 70% van het minimumloon wordt bevestigd.