ECLI:NL:CRVB:2021:1517
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WGA-vervolguitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid bevestigd
Appellant was sinds 2009 arbeidsongeschikt en ontving een WGA-uitkering op basis van de Wet WIA. Na een herbeoordeling stelde het UWV vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was, waarna de WGA-vervolguitkering werd beëindigd per 12 juni 2018. Appellant maakte bezwaar en beroep tegen dit besluit, maar de rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep voerde appellant aan dat het UWV onvoldoende rekening had gehouden met zijn psychische en fysieke klachten, waaronder complexe PTSS en bijwerkingen van medicatie. Ook stelde hij dat de beoordeling van zijn beperkingen onjuist was, met name ten aanzien van concentratieproblemen en de werkomgeving.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het medisch en arbeidskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep had appellant onderzocht, relevante medische informatie betrokken en gemotiveerd dat er geen sprake was van een ernstige stoornis die volledige arbeidsongeschiktheid rechtvaardigt. Ook de arbeidsdeskundige had passende functies geselecteerd die appellant kon verrichten.
De Raad volgde het oordeel van de rechtbank dat het UWV terecht de mate van arbeidsongeschiktheid had vastgesteld op minder dan 35% en de uitkering mocht beëindigen. De stellingen van appellant dat hij niet zelfredzaam was en dat de werkomgeving te belastend zou zijn, werden niet onderbouwd geacht. De aangevallen uitspraak werd bevestigd.
Uitkomst: De WGA-vervolguitkering van appellant is terecht beëindigd wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%.