Appellante was sinds 2013 wegens rug- en bekkenklachten en later psychische klachten arbeidsongeschikt en ontving een Ziektewetuitkering. Het UWV beëindigde deze uitkering per 18 september 2015 op grond van een medische beoordeling die stelde dat zij meer dan 65% van haar maatmaninkomen kon verdienen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond.
In hoger beroep stelde appellante dat haar psychische en lichamelijke klachten onlosmakelijk verbonden zijn en dat haar beperkingen zijn onderschat. De Centrale Raad van Beroep benoemde een onafhankelijke psychiater als deskundige, die concludeerde dat appellante op de datum in geding leed aan PTSS en een depressieve stoornis, die haar arbeidsvermogen substantieel beperkten.
De Raad volgde het deskundigenrapport, oordeelde dat de medische situatie ernstiger was dan door het UWV was aangenomen en vernietigde het besluit tot beëindiging van de uitkering. Tevens veroordeelde de Raad het UWV tot vergoeding van de proceskosten van appellante.