Appellant, voormalig docent Engels, ontvangt sinds 2015 een WGA-uitkering vanwege arbeidsongeschiktheid. Na verschillende beslissingen en bezwaarprocedures heeft het UWV in 2017 de WGA-vervolguitkering toegekend en later beëindigd. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze beëindiging ongegrond. In hoger beroep stelt appellant dat zijn (psycho)somatische klachten een deskundigenoordeel vereisen en dat zijn arbeidsongeschiktheid volledig en duurzaam is.
Het UWV heeft in een nieuw besluit uit 2020 de WGA-uitkering voortgezet met een hogere mate van arbeidsongeschiktheid. Appellant betoogt dat zijn klachten chronisch zijn en niet verbeteren, mede door de coronasituatie. De Raad vernietigt het eerdere besluit en het vonnis van de rechtbank en beoordeelt het nieuwe besluit van het UWV.
De Raad stelt vast dat appellant volledig arbeidsongeschikt is, maar dat deze arbeidsongeschiktheid niet duurzaam is omdat er nog behandelmogelijkheden zijn. De verzekeringsarts heeft onderbouwd dat gerichte behandelingen zoals CGT en EMDR kunnen leiden tot verbetering van de belastbaarheid. Appellant heeft geen medische gegevens overgelegd die dit tegenspreken. Daarom is er geen recht op een IVA-uitkering. De Raad veroordeelt het UWV in de proceskosten van appellant.