Appellante, die sinds november 2013 wegens gewrichtsklachten niet meer kon werken als assistent winkelmanager, vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde op basis van medische en arbeidsdeskundige rapporten vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en wees de uitkering af. Appellante maakte bezwaar en beroep, waarbij meerdere deskundigen haar beperkingen onderzochten en rapporteerden. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarbij zij het deskundigenrapport grotendeels volgde, maar de arbeidsduurbeperking van de deskundige niet overnam.
In hoger beroep heeft de Centrale Raad van Beroep een aanvullende verzekeringsarts als deskundige ingeschakeld. Deze concludeerde dat appellante niet voldeed aan de criteria voor volledige arbeidsongeschiktheid op de datum in geding en bevestigde de beperkingen zoals vastgesteld in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van februari 2016. De Raad volgde deze deskundige en oordeelde dat de geselecteerde functies geschikt zijn voor appellante.
Daarnaast heeft appellante een schadevergoeding geëist wegens overschrijding van de redelijke termijn. De Raad oordeelde dat de procedure ruim anderhalf jaar langer duurde dan redelijk was, vooral in de rechterlijke fase, en kende een vergoeding van € 2.000,- toe. Tevens werd de Staat veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van € 267,-. De aangevallen uitspraak van de rechtbank werd bevestigd.