Appellant ontving een aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO) naast een onvolledig AOW-pensioen en een arbeidsongeschiktheidsuitkering van de Duitse Rentenversicherung (DRV). De Sociale verzekeringsbank (Svb) herzag de AIO-aanvulling en vorderde een te veel ontvangen bedrag terug omdat appellant niet had gemeld dat hij vanaf oktober 2015 een Duits ouderdomspensioen ontving.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat hij zijn meldingsplicht niet had geschonden en dat de berekening van het terugvorderingsbedrag onjuist was, onder meer vanwege een te lage norm en onterechte verrekening van belastingteruggave.
De Raad oordeelde dat appellant onvoldoende bewijs leverde dat hij tijdig melding had gemaakt van het pensioen en dat hij uit eigen beweging had moeten informeren. De berekening van het terugvorderingsbedrag werd juist bevonden. Wel werd het besluit vernietigd voor de periode 1 januari tot en met 31 maart 2016 vanwege een gewijzigde standpunt van de Svb. De Raad veroordeelde de Svb tot vergoeding van proceskosten.