ECLI:NL:CRVB:2021:155
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens gebrek aan procesbelang bij WIA-uitkering
Appellant, voormalig rayonleider, meldde zich ziek in 2014 en ontving vanaf 2016 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet WIA vanwege volledige arbeidsongeschiktheid. Na een herbeoordeling stelde een verzekeringsarts beperkingen vast, waarna het UWV in 2018 de arbeidsongeschiktheid op 40,05% vaststelde, later verhoogd naar 49,84% na bezwaar. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond.
In hoger beroep voerde appellant aan dat onvoldoende lichamelijk onderzoek was verricht en dat zijn beperkingen onvoldoende waren meegewogen. Tijdens de procedure stelde het UWV de arbeidsongeschiktheid vast op 80-100%, waardoor appellant een IVA-uitkering ontving vanaf februari 2020.
De Raad oordeelde dat appellant geen procesbelang meer heeft bij het hoger beroep omdat de uitkering niet negatief wijzigt en het resultaat van het beroep feitelijk niet meer kan worden bereikt. Het hoger beroep werd daarom niet-ontvankelijk verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.