ECLI:NL:CRVB:2021:1552
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verrekening stortingen als inkomen bij bijstand op grond van de Participatiewet
Appellante had bijstand aangevraagd op grond van de Participatiewet, waarbij het college aanvankelijk haar aanvraag afwees wegens onvoldoende bewijs van bijstandbehoefte. Later werd bijstand toegekend met verrekening van stortingen op haar bankrekening in de maanden maart, mei en juni 2017 als inkomen. Appellante stelde dat deze stortingen leningen voor levensonderhoud waren of opbrengsten van verkoop van privégoederen, maar kon dit niet aannemelijk maken.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat de stortingen terecht als inkomen waren aangemerkt. De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel en wijst op vaste jurisprudentie dat leningen voor levensonderhoud alleen meetellen als aannemelijk is dat het daadwerkelijk leningen betreft met terugbetalingsverplichting, wat hier ontbrak.
Ook de stelling dat opbrengsten van privéverkopen niet als inkomen gelden, werd niet voldoende onderbouwd met objectieve gegevens. Het college had een bedrag van € 75,- ten onrechte als inkomen verrekend, maar dit werd gecompenseerd door het niet verrekenen van een hogere storting van € 260,-, zodat dit geen gevolgen had voor de terugvordering.
Het hoger beroep slaagt niet, de eerdere uitspraak wordt bevestigd en het verzoek tot schadevergoeding wordt afgewezen. Er is geen aanleiding voor veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de verrekening van stortingen als inkomen op de bijstand wordt bevestigd.