ECLI:NL:CRVB:2018:502
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van lening als middel bij bijstandsverlening onder de Participatiewet
Appellant heeft bijstand aangevraagd op grond van de Participatiewet en ontving een bedrag van €1.000,- op zijn bankrekening. Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam heeft dit bedrag in mindering gebracht op de bijstand, omdat het als een middel werd aangemerkt. Appellant stelde dat het bedrag een lening betrof, noodzakelijk voor levensonderhoud in een periode zonder inkomen.
De Raad toetste dit aan vaste rechtspraak waarin is bepaald dat leningen in beginsel niet worden aangemerkt als middelen, tenzij aannemelijk wordt gemaakt dat de lening is afgesloten voor levensonderhoud tijdens een periode zonder bijstand of inkomen. De appellant kon niet aannemelijk maken dat het bedrag daadwerkelijk een lening was die ten tijde van de betaling was overeengekomen, noch dat het voor levensonderhoud bestemd was.
De overgelegde ongedateerde akte van lening, opgesteld na de betaling en niet medeondertekend door de vermeende geldgever, voldeed niet aan de vereisten. Daarom was het college terecht het bedrag van €1.000,- als middel in mindering te brengen. Het hoger beroep faalde en de uitspraak van de rechtbank werd bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het bedrag van €1.000,- wordt terecht als middel in mindering gebracht op de bijstand.