ECLI:NL:CRVB:2021:1584
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging juiste vaststelling mate arbeidsongeschiktheid op 52,94% in WIA-uitkering
Appellante, laatstelijk werkzaam als administratief medewerkster, heeft zich ziek gemeld met lichamelijke en later psychische klachten. Het UWV heeft haar arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 52,94% na een medisch en arbeidskundig onderzoek. Appellante stelde dat het onderzoek onzorgvuldig was en dat haar beperkingen ernstiger zijn dan vastgesteld, onder meer door aanvullende medische informatie en klachten zoals smetvrees en rugklachten.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) voldoende rekening hielden met haar klachten. Ook het UWV-beleid omtrent urenomvang per functie werd als juist beoordeeld.
In hoger beroep heeft de Centrale Raad van Beroep het oordeel van de rechtbank gevolgd. De Raad stelde vast dat de verzekeringsarts alle relevante medische informatie heeft betrokken, dat de klachten in onderlinge samenhang zijn beoordeeld en dat de beperkingen adequaat zijn gemotiveerd. Ook het bezwaar dat het CBBS-systeem oncontroleerbaar zou zijn vanwege niet-inzage van enquêteformulieren werd verworpen.
De Raad concludeert dat het hoger beroep niet slaagt en bevestigt de eerdere uitspraak dat de mate van arbeidsongeschiktheid terecht is vastgesteld op 52,94%.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante terecht is vastgesteld op 52,94%.