Appellant betwistte de vastgestelde tijdvakken waarin hij volgens de Sociale Verzekeringsbank (Svb) niet verzekerd was voor de AOW, omdat hij langer buiten Nederland zou hebben gewoond dan aangenomen. Hij voerde aan dat hij in België en Frankrijk woonde en onderbouwde dit met gemeentelijke registraties en andere documenten. De Svb baseerde het besluit op Nederlandse registraties zonder nader onderzoek.
De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond, maar de Raad oordeelde dat het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd was en dat nader onderzoek nodig is naar de door appellant gestelde woonplaatsverleggingen. De Raad volgde appellant niet in zijn stelling dat hij AOW-rechten had opgebouwd door belastingplicht in Nederland. De korting wegens schuldig nalatigheid over de jaren 1999 en 2000 blijft van kracht.
De Raad vernietigde het bestreden besluit voor zover het de niet-verzekeringstijdvakken betreft en gaf de Svb opdracht om opnieuw te beslissen met inachtneming van deze uitspraak. Het beroep werd deels gegrond verklaard. Tevens werd bepaald dat tegen het nieuwe besluit alleen bij de Raad beroep kan worden ingesteld en werd het betaalde griffierecht aan appellant vergoed.