ECLI:NL:CRVB:2021:1596
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstand ondanks werkzaamheden in re-integratietraject
In deze zaak gaat het om een terugvordering van bijstand ter hoogte van €6.860,96 door het college van burgemeester en wethouders van Harderwijk. Appellant ontving deze bijstand terwijl hij ook aanspraak had op een erfenis van €17.595,-. Het geschil betreft de vraag of het college terecht tot terugvordering is overgegaan.
Appellant voerde aan dat het college het zorgvuldigheidsbeginsel en motiveringsbeginsel schond door geen rekening te houden met het feit dat hij in de teruggevorderde periode werkzaamheden verrichtte in het kader van een re-integratietraject zonder daarvoor een vergoeding te ontvangen. Tevens verwees hij naar artikel 4 van Pro het Europees Sociaal Handvest.
De Raad oordeelde dat het verrichten van werkzaamheden binnen een re-integratietraject geen reden is om van terugvordering af te zien of deze te matigen. Het recht op bijstand bleef onverminderd bestaan en de terugvordering bracht daarin geen verandering. Het college maakte terecht gebruik van zijn bevoegdheid tot terugvordering. De Raad verwees naar eerdere jurisprudentie ter onderbouwing van dit oordeel.
De aangevoerde gronden in hoger beroep slaagden niet, en de Raad bevestigde de eerdere uitspraak van de rechtbank Gelderland. Er werd geen aanleiding gezien tot het opleggen van proceskosten.
Uitkomst: De terugvordering van bijstand wordt bevestigd ondanks de verrichte werkzaamheden in het re-integratietraject.