Appellante ontving sinds 2016 bijstand op grond van de Participatiewet en vroeg in 2018 bijzondere bijstand aan voor de kosten van terug te betalen kindgebonden budget in de vorm van een alleenstaande ouder-kop (ALO-kop). Zij meldde dat zij gehuwd was met een in Mali verblijvende partner en verwachtte dat de Belastingdienst de ALO-kop zou terugvorderen.
Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam wees de aanvraag af omdat appellante nog steeds de ALO-kop ontving en er geen sprake was van een daadwerkelijke schuld. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel in hoger beroep.
De Raad oordeelde dat bij de toepassing van de Participatiewet geen rekening kan worden gehouden met toekomstige, onzekere kosten zoals een mogelijke terugvordering door de Belastingdienst. Het verzoek om schadevergoeding werd eveneens afgewezen. De aangevallen uitspraak werd bevestigd.