ECLI:NL:CRVB:2021:1619
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling mate arbeidsongeschiktheid en passendheid functies volgens WIA
Appellant, voormalig sloper/kraanmachinist, meldde zich ziek vanwege lichamelijke en later psychische klachten. Het UWV kende hem een loongerelateerde WGA-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheid van 60,90%. Na een herbeoordeling werd de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) vastgesteld op 20 april 2018, met een arbeidsongeschiktheid van 60,22%. Appellant maakte bezwaar tegen deze vaststelling en stelde dat zijn beperkingen uitgebreider waren, waaronder een urenbeperking, en dat de geselecteerde functies niet passend waren.
De rechtbank oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was verricht, dat de FML juist was en dat de geselecteerde functies passend waren. Appellant voerde in hoger beroep aan dat de rechtbank onvoldoende op zijn gronden was ingegaan en dat een deskundige benoemd had moeten worden. Tevens stelde hij dat de motivering van de verzekeringsarts onvoldoende was en dat de functies te belastend waren.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank. De Raad stelde vast dat het medisch onderzoek zorgvuldig was, dat de verzekeringsarts de urenbeperking terecht had verwijderd en dat er geen aanwijzingen waren om aan de juistheid van de FML te twijfelen. Ook was de geschiktheid van de geselecteerde functies voldoende gemotiveerd. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De mate van arbeidsongeschiktheid van appellant is terecht vastgesteld op 60,22% en de geselecteerde functies zijn passend.