ECLI:NL:CRVB:2021:1625

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
7 juli 2021
Publicatiedatum
7 juli 2021
Zaaknummer
20/932 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 57 Wet WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WGA-uitkering wegens ontbreken toegenomen arbeidsongeschiktheid

Appellant, die sinds 2008 arbeidsongeschikt is als gevolg van een bouwopruimersfunctie, vroeg om hernieuwde toekenning van een WGA-uitkering wegens vermeende toename van arbeidsongeschiktheid per 11 februari 2015. Het UWV had dit geweigerd na een verzekeringsgeneeskundig onderzoek en een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, waarop appellant bezwaar maakte. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het medisch oordeel zorgvuldig was gemotiveerd en dat geen sprake was van toegenomen beperkingen.

In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn psychische en lichamelijke klachten, waaronder schizofreniespectrumstoornis, persisterende depressie en chronische lumbago, onvoldoende waren erkend. Ook stelde hij dat het UWV onvoldoende gewicht had toegekend aan een rapport van MEE Rotterdam Rijnmond dat een grote begeleidingsbehoefte aangaf. De Centrale Raad van Beroep toetste de zaak en onderschreef het oordeel van de rechtbank. De verzekeringsarts bezwaar en beroep had overtuigend gemotiveerd dat uit het medisch dossier geen aanwijzingen voor een gewijzigde medische situatie per 11 februari 2015 naar voren kwamen die tot verdere beperkingen zouden leiden dan reeds in de Functionele Mogelijkhedenlijst van 27 augustus 2013 waren opgenomen.

De Raad concludeerde dat de psychische en rugklachten reeds in 2013 waren meegewogen en dat de medische stukken geen toename van beperkingen aantoonden. Het verzoek om inschakeling van een onafhankelijke deskundige werd afgewezen. De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarmee het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV terecht heeft geweigerd een WGA-uitkering toe te kennen wegens het ontbreken van toegenomen arbeidsongeschiktheid per 11 februari 2015.

Uitspraak

20 932 WIA

Datum uitspraak: 7 juli 2021
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
24 januari 2020, 19/1060 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R. Moghni, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 mei 2021. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. N. Talhaoui, kantoorgenoot van mr. Moghni. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.C. van Beek, die door middel van videobellen heeft deelgenomen aan de zitting.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant heeft gewerkt als bouwopruimer voor 43,22 uur per week. Op 3 oktober 2008 heeft appellant zich ziek gemeld. Bij besluit van 22 november 2010 heeft het Uwv appellant met ingang van 18 december 2010 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 100%. Met ingang van 18 februari 2013 is deze uitkering omgezet in een WGA-loonaanvullingsuitkering.
1.2.
Na een herbeoordeling heeft het Uwv bij besluit van 26 maart 2013 de WGA-uitkering van appellant met ingang van 27 mei 2013 beëindigd, omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Naar aanleiding van het bezwaar heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in haar rapport van 27 augustus 2013 aanleiding gezien om aanvullende beperkingen op te nemen, weergegeven in de FML van 27 augustus 2013. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft hierin geen aanleiding gezien om de vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid te wijzigen.
Bij besluit van 29 oktober 2013 heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard, waarbij het primaire besluit is herroepen voor wat betreft de beëindigingsdatum en de WIA-uitkering met ingang van 12 november 2013 is beëindigd. Tegen de beslissing op bezwaar van 29 oktober 2013 is geen beroep ingesteld.
1.3.
Appellant heeft zich op 6 december 2017 bij het Uwv gemeld met toegenomen klachten met ingang van 11 februari 2015. Na verzekeringsgeneeskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 11 april 2018 geweigerd om appellant een WGA-uitkering toe te kennen, omdat geen sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid. Aan dit besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts van 6 april 2018 ten grondslag. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 23 januari 2019 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het primaire besluit van 11 april 2018 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 20 december 2018 ten grondslag.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig is uitgevoerd en hetgeen appellant heeft aangevoerd geen aanleiding is om het medisch oordeel, dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt, voor onjuist te houden. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep inzichtelijk en overtuigend heeft gemotiveerd waarom hij geen aanleiding ziet te concluderen dat appellant toegenomen arbeidsongeschikt is te achten. Zo heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep overwogen dat er geen duidelijke verklaring is voor de door appellant gestelde verslechtering van zijn gezondheidssituatie, dat er tijdens het onderzoek bij de verzekeringsarts en tijdens de hoorzitting in bezwaar geen aanwijzingen zijn voor grote psychopathologie en dat van de zijde van appellant zelf geen melding is gemaakt van psychische klachten, maar enkel van cognitieve klachten. Met betrekking tot de bij faxbericht van 23 december 2019 overgelegde medische stukken, heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv ter zitting onweersproken heeft gesteld dat de diagnose van I-psy van 19 juli 2019 enkel is gebaseerd op de anamnese die bij appellant is afgenomen, dat een deel van de informatie niet ziet op de datum in geding en dat de overige informatie al bekend was bij verweerder. De rechtbank heeft ook in deze stukken geen reden gezien om aan de juistheid van het medisch oordeel van de verzekeringsartsen te twijfelen, zodat het Uwv terecht heeft geconcludeerd dat geen sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid per 11 februari 2015.
3.1.
Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij ernstige klachten en beperkingen heeft die door het Uwv onvoldoende worden erkend. Met name zijn psychische klachten en rugklachten worden door verweerder onderschat. Door de huisarts is bovendien vastgesteld dat appellant lijdt aan een schizofreniespectrum of andere psychotische stoornis en een persisterende depressie. Ook is bij appellant een chronische lumbago vastgesteld. Daarnaast heeft appellant gesteld dat het Uwv te weinig gewicht heeft toegekend aan de rapportage van MEE Rotterdam Rijnmond, waaruit volgt dat appellant een grote begeleidingsbehoefte heeft. Appellant heeft zich, onder verwijzing naar het arrest Korošec, op het standpunt gesteld dat het standpunt van het Uwv onvoldoende is gemotiveerd en de Raad verzocht om een onafhankelijke medisch deskundige in te schakelen.
3.2.
Het Uwv verzoekt de aangevallen uitspraak te bevestigen.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Op grond van artikel 57, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet WIA herleeft het recht op een WGA-uitkering op de dag dat de verzekerde weer arbeidsongeschikt wordt, als hij op de dag hieraan voorafgaand een mate van arbeidsongeschiktheid had van minder dan 35% en de gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid voortkomt uit dezelfde oorzaak op grond waarvan hij eerder recht had op een WGA-uitkering.
4.2.
In geschil is de vraag of het Uwv terecht heeft vastgesteld dat voor appellant met ingang van 11 februari 2015 geen recht op een uitkering op grond van de Wet WIA is ontstaan, omdat geen sprake is van toegenomen beperkingen in de zin van artikel 57, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet WIA. Eerst als de vraag of sprake is van toegenomen beperkingen bevestigend is beantwoord, komt de vraag aan de orde of deze voortvloeien uit dezelfde ziekteoorzaak.
4.3.
Voor de beantwoording van de vraag of de beperkingen van appellant zijn toegenomen, moet in dit geval een vergelijking worden gemaakt van de medische beperkingen die golden ten tijde van de beëindiging van de uitkering en de medische beperkingen die zijn vastgesteld naar aanleiding van het verzoek om toekenning van uitkering in verband met toegenomen arbeidsongeschiktheid.
4.4.
Het oordeel van de rechtbank dat het Uwv terecht heeft geconcludeerd dat geen sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid per 11 februari 2015 in de zin van artikel 57, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet WIA en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen, worden geheel onderschreven. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft overtuigend gemotiveerd dat uit de in het dossier aanwezige medische stukken niet naar voren komt dat er ten tijde van de datum in geding sprake is van een gewijzigde medische situatie die zou moeten leiden tot verdergaande psychische of lichamelijke beperkingen dan de beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst van 27 augustus 2013, die ten grondslag lag aan de beëindiging van de uitkering per 12 november 2013. Uit de rapporten van de verzekeringsartsen volgt dat het psychiatrisch onderzoek van 16 januari 2018 (MEE Rotterdam Rijnmond) kenbaar is meegewogen in de medische beoordeling. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft afdoende gemotiveerd waarom de melding in dit rapport van grote begeleidingsbehoefte geen aanleiding geeft om meer of verdergaande psychische beperkingen op te nemen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft gemotiveerd toegelicht dat het rapport enige beperkingen op persoonlijk en sociaal vlak plausibel maken en dat in de FML van 27 augustus 2013 al beperkingen zijn opgenomen in persoonlijk en sociaal functioneren die passen bij het niveau van appellant dat lager is dan gemiddeld. Deze motivering is overtuigend en wordt gevolgd. Verder is gemotiveerd uiteengezet dat in het huisartsenjournaal weliswaar melding is gemaakt van psychose/schizofenie, maar dat na telefonisch contact met de huisarts is gebleken dat vanuit de GGZ de psychotische verschijnselen niet konden worden geobjectiveerd.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft voorts uit de medische informatie in het dossier kunnen afleiden dat al jaren sprake is van rugklachten, dat naar aanleiding van deze klachten in de FML van 27 augustus 2013 al forse beperkingen waren opgenomen en dat van een toename van deze klachten per 11 februari 2015 niet is gebleken. Appellant heeft in hoger beroep geen medische gegevens ingebracht waaruit blijkt dat sprake is van een toename van beperkingen ten tijde van de datum in geding. Nu geen twijfel bestaat over de juistheid van de medische beoordeling door het Uwv wordt geen aanleiding gezien voor het raadplegen van een onafhankelijk deskundige.
4.5.
Uit 4.2 tot en met 4.4. volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door S. Wijna, in tegenwoordigheid van L. Winters als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 juli 2021.
(getekend) S. Wijna
(getekend) L. Winters