ECLI:NL:CRVB:2021:1625
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WGA-uitkering wegens ontbreken toegenomen arbeidsongeschiktheid
Appellant, die sinds 2008 arbeidsongeschikt is als gevolg van een bouwopruimersfunctie, vroeg om hernieuwde toekenning van een WGA-uitkering wegens vermeende toename van arbeidsongeschiktheid per 11 februari 2015. Het UWV had dit geweigerd na een verzekeringsgeneeskundig onderzoek en een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, waarop appellant bezwaar maakte. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het medisch oordeel zorgvuldig was gemotiveerd en dat geen sprake was van toegenomen beperkingen.
In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn psychische en lichamelijke klachten, waaronder schizofreniespectrumstoornis, persisterende depressie en chronische lumbago, onvoldoende waren erkend. Ook stelde hij dat het UWV onvoldoende gewicht had toegekend aan een rapport van MEE Rotterdam Rijnmond dat een grote begeleidingsbehoefte aangaf. De Centrale Raad van Beroep toetste de zaak en onderschreef het oordeel van de rechtbank. De verzekeringsarts bezwaar en beroep had overtuigend gemotiveerd dat uit het medisch dossier geen aanwijzingen voor een gewijzigde medische situatie per 11 februari 2015 naar voren kwamen die tot verdere beperkingen zouden leiden dan reeds in de Functionele Mogelijkhedenlijst van 27 augustus 2013 waren opgenomen.
De Raad concludeerde dat de psychische en rugklachten reeds in 2013 waren meegewogen en dat de medische stukken geen toename van beperkingen aantoonden. Het verzoek om inschakeling van een onafhankelijke deskundige werd afgewezen. De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarmee het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV terecht heeft geweigerd een WGA-uitkering toe te kennen wegens het ontbreken van toegenomen arbeidsongeschiktheid per 11 februari 2015.