ECLI:NL:CRVB:2021:1626
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening studiefinanciering wegens niet-thuiswonende status
Appellant ontving studiefinanciering op basis van de status uitwonende studerende vanaf 1 september 2015. Na een huisbezoek door controleurs op 24 december 2018 stelde de minister vast dat appellant feitelijk als thuiswonende moest worden aangemerkt en herzag de studiefinanciering met terugwerkende kracht, waarbij een bedrag van €8.302,- werd teruggevorderd.
De rechtbank Oost-Brabant verklaarde het beroep van appellant tegen deze herziening ongegrond, omdat het huisbezoek geen aanwijzingen opleverde dat appellant daadwerkelijk op het geregistreerde adres woonde. Er werden geen persoonlijke spullen van appellant aangetroffen op de zolderkamer die hij zou bewonen, terwijl daar wel spullen van de hoofdbewoner aanwezig waren. De verklaring van appellant dat zijn spullen elders waren, werd niet geloofwaardig geacht.
In hoger beroep voerde appellant aan dat het onderzoek onzorgvuldig was en dat de gemeente in 2017 had vastgesteld dat hij op het adres woonde. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, de rechtbank de beroepsgronden gemotiveerd had beoordeeld en dat de stelling over het gemeentelijk adresonderzoek onvoldoende was onderbouwd.
De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, waarbij de herziening van de studiefinanciering en de terugvordering terecht waren. Er werd geen aanleiding gezien voor veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening van studiefinanciering en de terugvordering van €8.302,- wegens het ontbreken van bewijs van thuiswoning.