1.3.Bij besluit van 16 januari 2014 (bestreden besluit) heeft de Minister het bezwaar van appellante tegen het besluit van 8 november 2013 ongegrond verklaard. Aan de herziening en terugvordering heeft de Minister ten grondslag gelegd dat uit een verrichte controle is gebleken dat appellante niet woont op het adres waaronder zij in de GBA staat ingeschreven. De controle heeft bestaan uit een huisbezoek op 23 september 2013 op het GBA-adres van appellante, waarvan de resultaten zijn neergelegd in een rapport van diezelfde datum. Het huisbezoek is afgelegd in het bijzijn van de hoofdbewoonster [naam]. Appellante was daarbij zelf niet aanwezig.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat de bevindingen van het huisbezoek een toereikende feitelijke grondslag bieden voor de conclusie van de Minister dat appellante niet woonde op haar GBA-adres. Daartoe is het volgende overwogen. Uit het rapport van de controleurs blijkt dat appellante geen eigen ingerichte kamer had. Dit past ook bij het gegeven dat de woning vijf slaapplaatsen heeft, terwijl appellante de zesde persoon is die aldaar staat ingeschreven. De verklaring dat appellante elke avond een matras ging halen uit een andere kinderkamer en op de grond slaapt wekt bevreemding in een situatie waarin appellante stelt al vanaf mei 2012 te wonen op dat adres. Uit wat blijkens het rapport van de controleurs (niet) op het GBA-adres is aangetroffen volgt dat appellante niet woonde op haar GBA-adres. Wat appellante daar nog ter zitting tegenover heeft gesteld is onvoldoende om
aan de waarnemingen en conclusie van de controleurs te twijfelen. De rechtbank verwijst daarbij met name naar de steeds wisselende verklaring die appellante heeft afgelegd met betrekking tot haar slaapplaats. Ook haar verklaring dat ze een slechte relatie heeft met haar vader en dat zij op zoek was naar een eigen woning, maken niet dat getwijfeld moet worden aan de bevindingen en conclusie van de controleurs.
3. Appellante heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij kan zich niet vinden in het oordeel van de rechtbank dat de bevindingen van het huisbezoek voldoende feitelijke grondslag bieden voor het door de Minister ingenomen standpunt dat zij ten tijde hier van belang niet woonde op haar GBA-adres. Appellante stelt dat zij ten onrechte niet in de gelegenheid is gesteld om - alsnog - aanwezig te zijn bij het huisbezoek. Daardoor is veel informatie niet gegeven zodat het onderzoek onzorgvuldig en onvolledig is geweest en dientengevolge niet kan dienen als grondslag voor de herziening. Verder heeft appellante aangevoerd dat de drie kinderen van de hoofdbewoners ook niet allemaal een eigen kamer hebben. Voorts wordt erop gewezen dat ten tijde van de controle sprake was van een onrustige situatie omdat haar tante net bezig was om kamers aan te passen. Daarom was er een tijdelijke situatie waarin appellante geen vaste slaapplek had.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.1.In artikel 1.1, eerste lid, van de Wsf 2000 wordt onder thuiswonende studerende verstaan de studerende die niet een uitwonende studerende is, en wordt onder uitwonende studerende verstaan de studerende die voldoet aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 1.5.
4.1.2.Ingevolge artikel 1.5, eerste lid, van de Wsf 2000, zoals deze bepaling luidde ten tijde hier van belang, komt voor het normbedrag voor een uitwonende studerende in aanmerking de studerende die voldoet aan de volgende verplichtingen:
a. de studerende woont op het adres waaronder hij in de GBA staat ingeschreven, en
b. het woonadres van de studerende is niet het adres waaronder zijn ouders of een van hen in de GBA staat of staan ingeschreven.
4.1.3.De vraag waar de studerende woont als bedoeld in artikel 1.5, eerste lid, van de Wsf 2000 dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.
4.1.4.Op grond van artikel 7.1, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wsf 2000 kan herziening plaatsvinden op grond van het feit dat te veel of te weinig studiefinanciering is toegekend op basis van onjuiste of onjuist verwerkte gegevens.
4.1.5.Ingevolge artikel 9.9, tweede lid, van de Wsf 2000, voor zover hier van belang, vindt de herziening - volgens het opschrift bij ‘niet voldoen aan verplichtingen artikel 1.5 door studerende’ - plaats met ingang van de datum van de laatste adreswijziging van de studerende in de GBA.