ECLI:NL:CRVB:2021:1628
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening studiefinanciering wegens niet-thuiswonende status
Appellante ontving studiefinanciering op basis van de norm voor uitwonende studenten vanaf 1 augustus 2015. Vanaf 26 mei 2017 stond zij met haar dochter ingeschreven op een adres waar ook haar zus en diens gezin woonden. Op 6 juni 2018 voerden controleurs een huisbezoek uit op dit adres, waarbij weinig persoonlijke spullen van appellante werden aangetroffen. De minister herzag daarop de studiefinanciering per 1 juni 2017 en vorderde €2.708,28 terug.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat het onderzoek zorgvuldig was en de minister aannemelijk had gemaakt dat appellante niet op het adres woonde. Appellante voerde in hoger beroep aan dat het onderzoek onzorgvuldig was en dat zij wel degelijk woonde op het adres, onder meer op basis van verklaringen van de hoofdbewoonster en aanwezigheid van persoonlijke spullen.
De Raad overwoog dat de minister slechts aannemelijk hoefde te maken dat appellante niet aan haar woonverplichtingen voldeed, waarna een wettelijk vermoeden van niet-wonen vanaf die datum geldt. Appellante heeft dit vermoeden niet onomstotelijk kunnen weerleggen. Het huisbezoek was zorgvuldig, en het ontbreken van persoonlijke bezittingen en het niet leveren van bewijs van opslag van haar spullen of kluis op school ondersteunen de conclusie dat zij niet woonde op het adres. Het hoger beroep wordt daarom verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de herziening van de studiefinanciering als thuiswonende met terugvordering van €2.708,28 wordt bevestigd.