ECLI:NL:CRVB:2021:1645
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens niet-betaling griffierecht en ontbreken beroepsgronden
Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Rotterdam, maar heeft nagelaten het verschuldigde griffierecht van €131,- binnen de gestelde termijnen te voldoen, ondanks meerdere aanmaningen en waarschuwingen. Tevens heeft appellante verzuimd om de gronden van het beroep in te dienen, ook nadat zij daartoe meerdere keren in de gelegenheid was gesteld.
De Raad heeft op grond van artikel 8:41 en Pro 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het griffierecht geëist en appellante herhaaldelijk gewezen op de gevolgen van niet-betaling, namelijk dat het hoger beroep niet inhoudelijk behandeld zal worden. Daarnaast is appellante erop gewezen dat het beroepschrift de gronden van het beroep moet bevatten, conform artikel 6:5 en Pro 6:24 Awb.
Gezien het uitblijven van betaling en het niet indienen van beroepsgronden, is het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 8 juli 2021.
Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht en het ontbreken van beroepsgronden.