ECLI:NL:CRVB:2021:1650

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
6 juli 2021
Publicatiedatum
9 juli 2021
Zaaknummer
19/1819 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:2 AwbArt. 6:12 AwbArt. 7:10 AwbWet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen (Stb. 2009, 383)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep wegens ontbreken ingebrekestelling bij niet tijdig beslissen

Appellant stelde beroep in tegen het niet tijdig nemen van besluiten op vijftien bezwaarschriften. De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk omdat appellant het college niet in gebreke had gesteld, een vereiste volgens de wet.

In hoger beroep voerde appellant aan dat het niet noodzakelijk was het college in gebreke te stellen en dat bezwaar of beroep mogelijk is tegen het uitblijven van een besluit. De Raad verwierp dit standpunt en wees op artikel 6:12 Awb Pro, dat vereist dat het bestuursorgaan eerst schriftelijk in gebreke wordt gesteld en twee weken verstreken zijn.

De Raad bevestigde dat sinds 1 oktober 2009 bezwaar tegen niet tijdig beslissen niet meer mogelijk is en dat beroep alleen kan worden ingesteld na ingebrekestelling. Omdat appellant dit naliet, is het beroep niet-ontvankelijk. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitkomst: Beroep niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken ingebrekestelling; verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

19 1819 PW

Datum uitspraak: 6 juli 2021
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 17 april 2019, 18/2420 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Heerenveen (college)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Hij heeft daarbij tevens een verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade gedaan.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft een nader stuk ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 mei 2021. Appellant is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.J. Olthof.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant heeft op 27 juli 2018 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van besluiten op vijftien door hem ingediende bezwaarschriften.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het niet tijdig nemen van besluiten niet-ontvankelijk verklaard, omdat appellant het college niet in gebreke had gesteld.
3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Appellant heeft aangevoerd dat het hem onduidelijk is of en, zo ja, wanneer er op zijn bezwaarschriften is beslist. Ter zitting heeft appellant nader toegelicht dat het in een dergelijke situatie mogelijk is om bezwaar of beroep in te stellen tegen het uitblijven van een besluit. Het is daarbij niet noodzakelijk om het college in gebreke te stellen. Daarnaast heeft appellant beroep ingesteld op grond van artikel 7:10 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en niet op grond van artikel 6:12 van Pro de Awb. Deze beroepsgrond slaagt niet.
4.2.
Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep met een besluit gelijkgesteld het niet tijdig nemen van een besluit.
4.3.
Op grond van artikel 6:12, tweede lid, van de Awb kan, voor zover hier van belang, het beroepschrift tegen het niet tijdig nemen van een besluit worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft meegedeeld dat het in gebreke is.
4.4.
Ter zitting heeft appellant bevestigd dat hij het college niet in gebreke heeft gesteld. Anders dan appellant heeft betoogd, volgt uit artikel 6:12, tweede lid, van de Awb dat dit wel een voorwaarde is om beroep in te stellen tegen het niet tijdig nemen van besluiten op zijn bezwaarschriften. Om die reden heeft de rechtbank het beroep tegen het niet tijdig nemen van besluiten terecht niet-ontvankelijk verklaard.
4.5.
Anders dan appellant heeft betoogd, kan overigens geen bezwaar worden gemaakt tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Met invoering van de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen (Stb. 2009, 383) is die mogelijkheid in de Awb met ingang van 1 oktober 2009 komen te vervallen. Op grond van 7:10 van de Awb kan bovendien geen beroep bij de rechtbank worden ingesteld.
4.6.
Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Gelet hierop bestaat voor een veroordeling tot vergoeding van schade geen grond. Het verzoek daartoe zal daarom worden afgewezen.
5. Voor een veroordeling in proceskosten bestaat geen aanleiding.
6. Ten overvloede merkt de Raad nog op dat het college ter zitting heeft bevestigd dat hij ten aanzien van alle bezwaarschriften op 3 augustus, 6 augustus of 7 september 2018 besluiten heeft genomen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • bevestigt de aangevallen uitspraak;
  • wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Deze uitspraak is gedaan door A.J. Schaap, in tegenwoordigheid van Y.S.S. Fatni als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2021.
(getekend) A.J. Schaap
(getekend) Y.S.S. Fatni