ECLI:NL:CRVB:2021:166
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging juiste vaststelling AOW-pensioen op 62% van het maximale pensioen
Appellante, geboren in 1952 en van Marokkaanse nationaliteit, heeft een AOW-pensioen toegekend gekregen ter hoogte van 62% van het maximale pensioen. Dit pensioen is gebaseerd op de huwelijkse tijdvakken tussen haar en haar overleden echtgenoot, die in Nederland heeft gewerkt en verzekerd was. Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen de hoogte van het pensioen, stellende dat onvoldoende rekening is gehouden met haar opgebouwde tijdvakken en haar moeilijke omstandigheden.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de hoogte van het pensioen correct was vastgesteld. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat zij recht heeft op een hoger pensioen, mede vanwege haar ziekte en financiële situatie. De Sociale verzekeringsbank handhaafde haar standpunt dat er geen grond is voor meer tijdvakken.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij recht heeft op meer verzekerde tijdvakken dan de huwelijkse tijdvakken die op grond van het Nederlands-Marokkaanse verdrag zijn meegenomen. De persoonlijke omstandigheden van appellante kunnen de pensioenhoogte niet beïnvloeden, omdat deze afhankelijk is van de verzekeringsjaren van de echtgenoot en de duur van het huwelijk. Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de vaststelling van het AOW-pensioen op 62% van het maximale pensioen bevestigd.