ECLI:NL:CRVB:2021:1662
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijzondere bijstand voor incassokosten dagvaarding en griffiekosten
Appellant vroeg bijzondere bijstand aan voor kosten gerelateerd aan een dagvaarding, bankbeslag en griffiekosten, met het argument dat hij onbetaalde facturen wilde incasseren bij een debiteur. Het college wees de aanvraag af omdat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat de kosten daadwerkelijk zijn gemaakt of zullen worden gemaakt, bijvoorbeeld door het overleggen van een nota. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak. De Raad benadrukte dat bij de beoordeling van bijzondere bijstand eerst moet worden vastgesteld of de kosten zich voordoen, vervolgens of zij noodzakelijk zijn en voortvloeien uit bijzondere omstandigheden, en ten slotte of zij niet kunnen worden voldaan uit andere middelen. Appellant slaagde er niet in aannemelijk te maken dat de kosten zich voordeden, ondanks zijn stelling dat de kosten verband hielden met incasso van onbetaalde facturen.
De Raad oordeelde dat het op de weg van appellant lag om bewijs te leveren van de kosten, wat niet is gebeurd. Daarom was het college terecht in het afwijzen van de aanvraag. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd op 6 juli 2021 in het openbaar gedaan.
Uitkomst: De afwijzing van bijzondere bijstand voor incassokosten wordt bevestigd omdat appellant niet aannemelijk maakte dat de kosten zich voordeden.