Appellant, die een Wajong-uitkering ontvangt vanwege psychische en sociale beperkingen, werd door het UWV geacht arbeidsvermogen te hebben, waardoor zijn uitkering per 1 januari 2018 werd verlaagd. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond, omdat het medisch en arbeidskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en gemotiveerd. De taak 'handmatig bestukken' werd als passend beoordeeld binnen de beperkingen van appellant.
In hoger beroep voerde appellant aan dat de beperkingen niet juist waren beschreven en dat onduidelijk was of de taak daadwerkelijk aan zijn beperkingen voldeed. De Raad onderschreef echter de overwegingen van de rechtbank en het standpunt van het UWV, waarbij ook de arbeidskundige analyse en motivering werden bevestigd. Hierdoor werd het hoger beroep verworpen.
Daarnaast werd vastgesteld dat de bestuursrechter de redelijke termijn van vier jaar had overschreden met ongeveer zes maanden, wat leidde tot een schadevergoeding van €500 aan appellant, te betalen door de Staat. Tevens werd de Staat veroordeeld in de proceskosten van appellant. Het verzoek om vergoeding van wettelijke rente door appellant werd afgewezen.