ECLI:NL:CRVB:2021:1701

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
14 juli 2021
Publicatiedatum
15 juli 2021
Zaaknummer
18/4902 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 Wet WIAArt. 6 Wet WIAArt. 8:57 AwbArt. 2 Schattingsbesluit Arbeidsongeschiktheidswetten
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid per 22 maart 2017

Appellant, voormalig automatenoperator, meldde zich ziek na een auto-ongeval en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was per 22 maart 2017 en weigerde de uitkering. Appellant maakte bezwaar en beroep, waarbij een verzekeringsarts bezwaar en beroep een FML opstelde met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 2,28%. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.

In hoger beroep betoogde appellant dat hij geen benutbare mogelijkheden had en dat zijn beperkingen onderschat waren, met verwijzing naar diverse medische rapporten en psychische klachten. De Centrale Raad van Beroep benoemde een onafhankelijke verzekeringsarts als deskundige, die concludeerde dat appellant op de datum in geding een whiplash-associated disorder graad 1 had, maar niet volledig arbeidsongeschikt was.

De deskundige achtte een spreekuurcontact niet noodzakelijk voor een retrospectieve beoordeling gezien de beschikbare psychiatrische expertise. De Raad vond het rapport begrijpelijk en goed gemotiveerd, zag geen reden om de conclusies te verwerpen en bevestigde het standpunt van het UWV. Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV om geen WIA-uitkering toe te kennen per 22 maart 2017 wordt bevestigd.

Uitspraak

18.4902 WIA

Datum uitspraak: 14 juli 2021
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 30 juli 2018, 18/172 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. D.D. Pietersz, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en gereageerd op door de Raad gestelde vragen.
De Raad heeft verzekeringsarts L. Greveling-Fockens als onafhankelijk deskundige benoemd. De deskundige heeft op 17 februari 2021 rapport uitgebracht.
Partijen hebben een zienswijze ingediend.
Greveling-Fockens heeft in een nader rapport gereageerd op wat partijen naar voren hebben gebracht.
Onder toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als automatenoperator. Op 11 februari 2014 heeft hij zich ziek gemeld met klachten na een auto-ongeval. Appellant heeft weer (gedeeltelijk) hervat maar is op 25 maart 2015 opnieuw volledig uitgevallen. In het kader van een aanvraag op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft het Uwv na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek vastgesteld dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant minder is dan 35%. Bij besluit van 7 april 2017 heeft het Uwv geweigerd aan appellant met ingang van 22 maart 2017 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat hij met ingang van die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 7 april 2017.
1.2.
Een verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft aanleiding gezien een psychiatrische expertise te laten verrichten. Mede op basis van het rapport van psychiater C. Scheele (werkzaam bij Psyon) heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep geconcludeerd dat er medische argumenten zijn om af te wijken van het primaire medische oordeel. De door de verzekeringsarts bezwaar en beroep ingeschatte beperkingen van appellant zijn vastgelegd in een in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 6 december 2017. Na een arbeidskundig onderzoek door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep is de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op 2,28%. Bij besluit van 14 december 2017 heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe, kort samengevat, overwogen dat de medische belastbaarheid van appellant op de datum in geding door de verzekeringsarts bezwaar en beroep op inhoudelijk overtuigende wijze is gemotiveerd. De rechtbank heeft ook geconcludeerd dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapporten uitgebreid heeft gereageerd op de stellingen van appellant en daarbij heeft toegelicht welke overwegingen ten grondslag liggen aan de aangenomen beperkingen en waarom er geen aanleiding is om appellant meer beperkt te achten. De rechtbank heeft de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep gegeven toelichting inzichtelijk en consistent geacht en de verzekeringsarts bezwaar en beroep gevolgd in zijn overwegingen om appellant niet meer beperkt te achten. Voorts is er volgens de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de belasting van appellant in de hem voorgehouden functies wordt overschreden.
3.1.
Appellant heeft in hoger beroep zijn standpunt dat hij geen benutbare mogelijkheden heeft dan wel dat de verzekeringsartsen voor zijn lichamelijke en psychische klachten meer beperkingen hadden moeten aannemen dan de in de FML van 6 december 2017 neergelegde beperkingen. Appellante beroept zich op artikel 2, vijfde lid, van het Schattingsbesluit Arbeidsongeschiktheidswetten (Schattingsbesluit) het criterium onder d, te weten de situatie waarin betrokkene als gevolg van een ernstige psychische stoornis in zijn zelfverzorging, in zijn directe samenlevingsverband alsook in zijn sociale contacten, waaronder zijn werkrelaties, niet of dermate minimaal functioneert dat hij psychisch niet zelfredzaam is. Ter onderbouwing van deze stellingen heeft appellant verwezen naar een verwijsbrief van 5 juli 2016 van huisarts F. Hirsch, het onderzoeksverslag van een deskundigenoordeel van 26 augustus 2016, informatie van 5 maart 2018 van de arts in opleiding tot psychiater M. Najib en psychiater A. Schrier van i-psy, een verklaring van 8 mei 2018 van arts A. Jairam van het medisch keuringscentrum en informatie van 4 juni 2018 van de arts in opleiding tot psychiater M.D. Cohn en psychiater M. Malgaz van I-psy. Appellant heeft de Raad verzocht een medisch deskundige te benoemen.
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.
Van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid van een verzekerde is op grond van artikel 5 van Pro de Wet WIA sprake als hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van onder meer ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wet WIA wordt de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.
4.2.
In geschil is de vraag of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant in de zin van de Wet WIA terecht met ingang van 22 maart 2017 heeft vastgesteld op minder dan 35% en terecht heeft geweigerd aan appellant een WIA-uitkering toe te kennen.
4.3.
De Raad heeft aanleiding gezien om verzekeringsarts L. Greveling-Fockens als deskundige te benoemen. In haar rapport van 17 februari 2021 heeft de deskundige geconcludeerd dat er bij appellant op 22 maart 2017 sprake was van een whiplah associated disorder graad 1. Appellant voldoet per datum in geding niet aan de criteria van een situatie van geen benutbare mogelijkheden op basis waarvan hij volledig arbeidsongeschikt te beschouwen zou zijn. De deskundige heeft geconcludeerd dat de belastbaarheid van appellant op dat moment conform de FML van 6 december 2017 was.
4.4.
Naar vaste rechtspraak geldt als uitgangspunt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde, deskundige kan volgen indien de door deze deskundige gebezigde motivering hem overtuigend voorkomt. Vormen de daartegen aangevoerde bezwaren een gemotiveerde betwisting, dan moet de rechter zodanig motiveren dat daarbij inzicht wordt gegeven in de aan het oordeel van de rechter ten grondslag liggende gedachtegang, waardoor deze voor anderen controleerbaar en aanvaardbaar wordt.
4.5.
In reactie op het rapport van Greveling-Fockens heeft appellant meegedeeld dat hij zich niet kan vinden in de conclusies van de deskundige. Appellant heeft zich op het standpunt gesteld het deskundigenonderzoek niet volledig kan zijn zonder spreekuurcontact. Volgens appellant te meer omdat de verzekeringsarts(en) en de door het Uwv ingeroepen expert de psychiatrische klachten van appellant aanvankelijk hebben onderschat. Appellant heeft aangevoerd dat nadien objectiveerbaar vast komen te staan dat er sprake is van cluster B persoonlijkheidsproblematiek. Waar de klachten eerst nog verklaard werden vanuit vermeend non-coöoperatief gedrag blijkt inmiddels dat er sprake is van een medisch objectiveerbare aandoening die er toe geleid heeft dat het Uwv inmiddels per 1 maart 2020 geen benutbare mogelijkheden heeft aangenomen.
4.6.
In het aanvullende rapport van 4 mei 2021 heeft de deskundige nader toegelicht dat zij van mening is dat een spreekuurcontact niet altijd per definitie noodzakelijk is om een retrospectieve beoordeling te kunnen doen. Zeker niet in een geval als de onderhavige casus waar zelfs een psychiatrisch expertiseverslag beschikbaar is van rond datum in geding. Het feit dat het Uwv inmiddels tot de conclusie is gekomen dat er per 1 maart 2020 sprake is van geen benutbare mogelijkheden betekent niet dat dit ook op 22 maart 2017 het geval was.
4.7.
Het rapport van de deskundige wordt begrijpelijk en goed gemotiveerd geacht. In de door appellant genoemde bezwaren wordt geen aanleiding gezien om de conclusies van de deskundige niet te volgen. Daarbij is van belang dat de deskundige in de reactie van 4 mei 2021 expliciet te kennen heeft gegeven dat zij geen noodzaak heeft gezien om appellant zelf te onderzoeken. Dat appellant, zoals door hem is gesteld, vanaf 1 maart 2020 toegenomen arbeidsongeschikt wordt geacht omdat geen sprake meer was van benutbare mogelijkheden, heeft geen invloed op de thans voorliggende beoordeling.
4.7.
Gelet op wat overwogen is in 4.3 tot en met 4.6 is met het rapport van de ingeschakelde deskundige de twijfel aan de juistheid van het standpunt van het Uwv dat in de FML van 6 december 2017 in voldoende mate rekening wordt gehouden met de beperkingen van appellant op 22 maart 2017 weggenomen. Om die reden zal er niet nogmaals een onafhankelijke deskundige worden benoemd.
4.8.
In wat appellant heeft aangevoerd worden geen aanknopingspunten gezien voor het oordeel dat de aan de berekening van het arbeidsongeschiktheidspercentage ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht voor appellant niet geschikt zouden zijn.
4.9.
Uit 4.2 tot en met 4.8 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door T. Dompeling, in tegenwoordigheid van H. Spaargaren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2021.
(getekend) T. Dompeling
(getekend) H. Spaargaren