ECLI:NL:CRVB:2021:1703
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing Wajong-uitkering wegens niet duurzaam ontbreken arbeidsvermogen
Appellante heeft een aanvraag ingediend voor een Wajong-uitkering vanwege familiale mediterrane fever (FMF), prikkelbare darm syndroom (PDS) en maagklachten. Het UWV heeft de aanvraag afgewezen omdat het ontbreken van arbeidsvermogen niet duurzaam werd geacht. De rechtbank oordeelde aanvankelijk dat het UWV onvoldoende had onderbouwd dat arbeidsvermogen nog ontwikkeld kon worden, maar na aanvullend rapport van de verzekeringsarts werd het besluit vernietigd met instandhouding van de rechtsgevolgen.
In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat haar klachten onvoldoende zijn erkend en dat haar ziekteverzuim meer dan 25% zal bedragen, wat een duurzame arbeidsongeschiktheid zou betekenen. Zij baseerde dit onder meer op een brief van haar reumatoloog en een assessment uit 2020. De Raad oordeelt echter dat het rapport van de verzekeringsarts voldoende onderbouwt dat er mogelijkheden zijn voor arbeidsontwikkeling, mede door behandelingen zoals systeemtherapie die appellante nog niet heeft gevolgd.
De Raad stelt dat de medische stukken geen aanleiding geven tot twijfel aan het standpunt van het UWV en dat het beroep op wettelijke bepalingen over langdurige arbeidsongeschiktheid niet slaagt omdat de vereiste termijnen niet zijn verstreken. Het hoger beroep wordt afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van de Wajong-uitkering wordt bevestigd.