Appellant bereikte in 2016 de pensioengerechtigde leeftijd en vroeg in december 2018 om toekenning van het AOW-ouderdomspensioen met ingang van juli 2016. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) kende het pensioen toe met ingang van december 2017, terugwerkend slechts één jaar. Appellant maakte bezwaar tegen deze ingangsdatum, maar dit werd ongegrond verklaard door de Svb en bevestigd door de rechtbank.
In hoger beroep betoogde appellant dat hij niet tijdig was geïnformeerd over zijn rechten en dat de Svb hem had moeten informeren of opnieuw aanschrijven. Tevens stelde hij dat zijn situatie bijzondere hardheid opleverde vanwege vroeg-pensionering en financiële problemen. De Raad oordeelde dat onbekendheid met het recht op pensioen in de regel geen bijzonder geval vormt en dat geen sprake was van verschoonbare onbekendheid of onjuiste voorlichting door de Svb.
De Raad benadrukte dat de Svb niet verplicht is om bewijs te bewaren van verzonden brieven en dat het gelijkheidsbeginsel niet slaagt omdat appellant onvoldoende aannemelijk maakte dat zijn situatie vergelijkbaar is met andere gevallen. De Raad bevestigde daarmee de beperking van de terugwerkende kracht tot één jaar en wees het hoger beroep af.