ECLI:NL:CRVB:2021:1735
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.T.H. Zimmerman
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke uitspraak over weigering Ziektewetuitkering na bevalling
Appellante, werkzaam als telefoniste, meldde zich ziek met zwangerschapsgerelateerde klachten en ontving verschillende uitkeringen op grond van de Ziektewet en Wet arbeid en zorg. Na haar bevalling meldde zij zich opnieuw ziek, maar het UWV stelde vast dat zij per 16 november 2017 geschikt was voor haar werk. Het bezwaar van appellante tegen deze beslissing werd door het UWV ongegrond verklaard.
De rechtbank bevestigde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat er geen aanwijzingen waren voor ernstige psychische stoornissen die arbeidsongeschiktheid rechtvaardigen. Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij ernstige gezondheidsklachten had, waaronder een postnatale depressie, en dat haar werk emotioneel te belastend was. Tevens stelde zij dat het UWV het vertrouwensbeginsel had geschonden door toezeggingen te doen over de voortzetting van de uitkering.
De Raad oordeelde dat het medisch oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep correct was en dat er geen sprake was van een intensieve behandeling of objectieve medische gegevens die het oordeel zouden ondermijnen. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat appellante niet aannemelijk maakte dat zij redelijkerwijs mocht vertrouwen op de vermeende toezeggingen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek tot schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen recht heeft op Ziektewetuitkering vanaf 16 november 2017.