ECLI:NL:CRVB:2020:559
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing beroep op vertrouwensbeginsel bij beëindiging WW-uitkering
Appellant werd door het UWV met ingang van 12 december 2016 tot en met 11 juli 2017 in aanmerking gebracht voor een WW-uitkering. Later verleende het UWV toestemming om met behoud van de uitkering in Polen werk te zoeken tot 11 april 2017, waarna de uitkering zou stoppen. Appellant vroeg daarna opnieuw een WW-uitkering aan met als eerste werkloosheidsdag 11 april 2017. Het UWV stelde vast dat recht op WW-uitkering bestond tot 11 april 2017 en dat de uitkering daarna stopte.
De rechtbank oordeelde dat de in het oorspronkelijke besluit vermelde einddatum van 11 juli 2017 onjuist was, maar dat dit niet leidde tot een gerechtvaardigde verwachting bij appellant dat de uitkering zou doorlopen tot die datum. De rechtbank wees het beroep op het vertrouwensbeginsel af en stelde dat het UWV niet in strijd met algemene beginselen van behoorlijk bestuur had gehandeld.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunt dat hij op grond van de genoemde einddatum gerechtvaardigde verwachtingen had. De Centrale Raad van Beroep volgde de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en bevestigde het oordeel van de rechtbank. De Raad stelde dat appellant redelijkerwijs had kunnen begrijpen dat de uitkering na 11 april 2017 zou stoppen en wees het beroep op het vertrouwensbeginsel af.
De Raad bevestigde de aangevallen uitspraak en wees de proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: Het beroep op het vertrouwensbeginsel wordt afgewezen en de beëindiging van de WW-uitkering per 11 april 2017 bevestigd.