ECLI:NL:CRVB:2021:1736
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WIA-uitkering na zorgvuldige herbeoordeling arbeidsongeschiktheid
Appellante was werkzaam als kamermeisje en meldde zich ziek in 2012. Na een loongerelateerde WGA-uitkering en een daaropvolgende WGA-loonaanvullingsuitkering beoordeelde het UWV haar arbeidsongeschiktheid opnieuw in 2018. Een verzekeringsarts stelde beperkingen vast in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML), waarop een arbeidsdeskundige passende functies selecteerde. Het UWV beëindigde de WIA-uitkering omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht.
Appellante maakte bezwaar en beroep, waarbij het UWV enkele functies verwierp maar de mate van arbeidsongeschiktheid onder de 35% bleef. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het UWV zorgvuldig onderzoek had gedaan, waarbij medische rapporten en een hoorzitting waren betrokken. De rechtbank wees het verzoek om een deskundige af.
In hoger beroep stelde appellante dat de beperkingen waren onderschat en dat het UWV onvoldoende onderzoek had gedaan naar de rapportage van haar bedrijfsarts. De Centrale Raad van Beroep volgde de rechtbank en stelde dat het UWV niet verplicht is om nader onderzoek te doen of vragen te stellen aan de bedrijfsarts. De Raad vond geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de FML van het UWV en bevestigde de beëindiging van de WIA-uitkering per 11 februari 2019.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV de WIA-uitkering terecht heeft beëindigd na zorgvuldig onderzoek.