ECLI:NL:CRVB:2021:1748
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid per einde wachttijd
Appellant, werkzaam als klusjesman, meldde zich ziek met rug- en schildklierklachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde vast dat appellant per einde wachttijd en later minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde de uitkering. De rechtbank oordeelde dat het UWV-onderzoek zorgvuldig was en de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep terecht waren.
Appellant voerde aan dat de beoordeling in retrospectief onzorgvuldig was en dat medische klachten onvoldoende waren meegewogen, onder meer vanwege het ontbreken van lichamelijk onderzoek per einde wachttijd. Ook stelde appellant dat nieuwe functies ten onrechte aan de beoordeling ten grondslag lagen. De rechtbank verwierp deze gronden en vond dat de FML's juist waren opgesteld en dat de arbeidsdeskundige functies passend had geselecteerd.
De Centrale Raad van Beroep onderschrijft de overwegingen van de rechtbank en voegt toe dat de medische informatie over de jaren 2012-2017 voldoende was om een reële inschatting te maken. De brief van een internistendocrinoloog uit 2015 en andere medische stukken uit 2017 geven geen aanleiding tot twijfel. De Raad bevestigt dat het UWV het recht heeft om nieuwe functies te betrekken bij de beoordeling. De klachten van appellant over de verrekening van ziekengeld met WW-uitkering vallen buiten deze procedure.
Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.