ECLI:NL:CRVB:2021:1749
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering ZW-uitkering wegens geschiktheid voor soldering operator functie
Appellant, voormalig kok, meldde zich ziek na een ongeval en ontving aanvankelijk een WIA-uitkering die werd geweigerd wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid. Na toegenomen klachten in 2016 vroeg appellant een ZW-uitkering aan, die door het UWV werd geweigerd omdat hij geschikt werd geacht voor de functie van soldering operator (SBC-code 111180).
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en geen aanleiding gaf tot twijfel aan het oordeel van het UWV. Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn fysieke beperkingen, waaronder het gebruik van een knieprothese en kruk, en zijn cognitieve beperkingen onvoldoende waren meegewogen.
De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek adequaat was en dat er geen medische indicatie was voor het gebruik van een kruk. Ook werden de cognitieve beperkingen, waaronder het effect van medicatie op concentratie en geheugen, voldoende beoordeeld. De functie van soldering operator vereist geen zware lichamelijke of cognitieve belasting, wat aansluit bij de mogelijkheden van appellant.
De Raad bevestigde daarom het besluit van het UWV en de uitspraak van de rechtbank. Het verzoek om schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente werd afgewezen. Er was geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de ZW-uitkering bevestigd.